Rekenkameronderzoek Onderwijsachterstandenbeleid - gemeente Veenendaal

Veenendaal heeft het onderwijsachterstandenbeleid inhoudelijk zorgvuldig ingericht, maar kan beter volgen wat het beleid oplevert en hoe de beschikbare middelen worden benut. In opdracht van Rekenkamer Veenendaal onderzocht Oberon de wettelijke taakuitvoering, de inzet van OAB-middelen, de monitoring en de informatievoorziening aan de gemeenteraad. De voorschoolse educatie heeft een groot bereik en de middelen worden vrijwel geheel rechtmatig ingezet. Tegelijkertijd ontbreken op onderdelen meetbare afspraken, is een aanzienlijke reserve opgebouwd en krijgt de raad weinig inhoudelijke informatie. De rekenkamer doet zes aanbevelingen om de uitvoering en democratische controle te versterken.

Onderzoek naar uitvoering, geld en democratische controle

Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen om onderwijsachterstanden te voorkomen en terug te dringen. Een belangrijk deel daarvan is bestemd voor voorschoolse educatie voor jonge kinderen die risico lopen met een ontwikkelings- of taalachterstand aan de basisschool te beginnen. Gemeenten moeten bovendien met kinderopvang en schoolbesturen afspraken maken over onder meer doelgroepkinderen, toeleiding, de doorgaande lijn, opbrengsten, integratie en het tegengaan van segregatie.
Rekenkamer Veenendaal wilde weten hoe doeltreffend en doelmatig de gemeente deze taken uitvoert. Daarbij stonden twee vragen centraal: hoe worden de gemeentelijke OAB-middelen ingezet en welke beleidskeuzes liggen daaraan ten grondslag? En hoe stelt de gemeenteraad kaders en controleert hij de uitvoering? Oberon ondersteunde de rekenkamer vanuit specialistische kennis van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.
Het onderzoek richtte zich op 2023 en 2024. De onderzoekers analyseerden beleidsstukken, subsidiebesluiten, jaarrekeningen, SiSa-verantwoordingen, inspectievragenlijsten en gegevens over het bereik van voorschoolse educatie. Ook spraken zij met de wethouder, betrokken ambtenaren en vertegenwoordigers van de negen politieke partijen. De lokale gegevens zijn waar mogelijk vergeleken met landelijke normen en gemiddelden.

Een stevige inhoudelijke basis en een groot bereik

De hoofdconclusie is genuanceerd positief. Veenendaal heeft het onderwijsachterstandenbeleid inhoudelijk goed neergezet met een OAB-plan en een Kwaliteitskaart voor voor- en vroegschoolse educatie. Er is een heldere doelgroepdefinitie, de gemeente financiert voldoende en redelijk goed gespreide voorschoolse plaatsen en er zijn afspraken over toeleiding en de overdracht van voorschool naar basisschool. Vve-specialisten ondersteunen de samenwerking en de doorgaande lijn.
Ook het bereik van voorschoolse educatie is goed. In 2023 nam 78 procent van de geïndiceerde kinderen deel; in 2024 was dit 95 procent. Daarmee lag Veenendaal boven de landelijke referentie van 75 procent die in het onderzoek is gebruikt. Controles van de GGD laten bovendien zien dat de meeste locaties aan de kwaliteitseisen voldoen en dat bij geconstateerde tekortkomingen herstel of handhaving plaatsvindt.

Nog niet alle wettelijke afspraken zijn concreet

Tegelijkertijd voldeed de gemeente in de onderzoeksperiode niet op alle onderdelen aan de wettelijke verwachtingen. In de verantwoording over 2023 gaf Veenendaal aan geen concrete afspraken te hebben over het bevorderen van integratie, het tegengaan van segregatie, toelatings- en inschrijvingsprocedures en de opbrengsten van vroegschoolse educatie. In 2024 waren er op verschillende punten wel procesafspraken, maar nog niet altijd meetbare doelen.
De gemeente werkt via de Lokale Educatieve Agenda en de ontwikkeling van een Staat van Educatie aan een steviger gezamenlijke aanpak. De rekenkamer ziet dat als een logische route, maar adviseert om de wettelijke thema’s ook inhoudelijk uit te werken en van concrete afspraken en normen te voorzien.

Een opvallende SiSa-verdeling bleek een indelingsfout

Een belangrijke aanleiding voor het onderzoek was de financiële verantwoording. Daarin leek het alsof Veenendaal in 2023 en 2024 veel geld besteedde aan bovenwettelijke activiteiten en niets aan de wettelijke taak om afspraken rond vve te maken. Een gedetailleerde analyse van de afzonderlijke uitgaven liet zien dat dit beeld niet klopte. Uitgaven voor bijvoorbeeld de vve-specialisten en de toeleiding door de GGD waren onder de verkeerde categorie geboekt.

Na herindeling blijkt dat Veenendaal het overgrote deel van de middelen inzet voor wettelijke taken en daarmee in de pas loopt met andere gemeenten. De onlogische verdeling was dus geen bewuste beleidskeuze, maar een coderingsfout die ook in de accountantscontrole niet was opgemerkt. De rekenkamer adviseert de gemeente de SiSa-indeling voortaan volgens de gecorrigeerde categorisering in te vullen.

Ruim 1,6 miljoen euro bleef beschikbaar

Hoewel de middelen vrijwel geheel rechtmatig worden besteed, geeft de gemeente jaarlijks minder uit dan zij ontvangt. Eind 2024 bedroeg de opgebouwde OAB-reserve ruim 1,6 miljoen euro. De gemeente kiest bewust voor structurele activiteiten en wil geen tijdelijke projecten starten die later weer moeten stoppen. De strikte bestedingsregels beperken volgens betrokkenen bovendien de mogelijkheden om het geld zinvol uit te geven.
Die zorgvuldigheid is begrijpelijk, maar de reserve is aanzienlijk. Zonder aanvullende inzet verwachtte de rekenkamer dat bij de afrekening van de periode 2023-2026 ongeveer 1 tot 1,5 miljoen euro aan het Rijk zou moeten worden terugbetaald. Het advies is daarom om samen met vve-partners een plan te maken voor passende inzet van de beschikbare middelen, bij voorkeur in maatregelen met een structureel karakter.

Monitoring geeft nog onvoldoende zicht op opbrengsten

Het onderzoek laat ook zien dat Veenendaal nog beperkt zicht heeft op de effecten van het beleid. De gemeente koppelde de opbrengsten van vroegschoolse educatie aan het taalniveau aan het einde van groep 8. Tussen de kleuterperiode en groep 8 liggen echter zes tot acht jaren waarin veel andere factoren invloed hebben. Bovendien lag de verantwoordelijkheid voor het verzamelen en bewaken van de resultaten vrijwel volledig bij het onderwijs, terwijl de gemeente de gegevens niet structureel opvroeg.
Daardoor kon de rekenkamer geen stevig oordeel geven over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid als geheel. De aanbeveling is om de resultaatafspraken dichter bij de vroegschoolse periode te leggen en de opbrengsten structureel te laten monitoren. De Staat van Educatie kan daarbij een belangrijke kwantitatieve onderlegger zijn, naast de bredere monitoring van het OAB.

De gemeenteraad mag actiever worden geïnformeerd

Onderwijsachterstandenbeleid is grotendeels een bevoegdheid van het college en wordt gefinancierd met geoormerkte rijksmiddelen. Daardoor ontving de raad maar beperkte informatie. Raadsleden vonden dat op zichzelf begrijpelijk, omdat het dossier volgens de beschikbare informatie goed leek te lopen. Zij waren echter niet actief geïnformeerd over de hoge reserve of over wettelijke taken waaraan de gemeente niet volledig voldeed.
De rekenkamer adviseert het college om de raad actiever te informeren over wettelijke taakuitvoering, belangrijke beleidskeuzes, opbrengsten en de inzet van middelen. Ook wordt de raad geadviseerd jaarlijks de kerngetallen uit de SiSa-bijlage te analyseren. Dat wordt extra belangrijk wanneer de OAB-middelen niet langer als specifieke uitkering maar via het gemeentefonds beschikbaar komen en de raad meer ruimte krijgt om financiële prioriteiten te bepalen.

College onderschrijft de aanbevelingen

In de bestuurlijke reactie schrijft het college dat het zich herkent in alle aanbevelingen en deze, voor zover ze onder zijn verantwoordelijkheid vallen, kan overnemen. Het college benadrukt wel dat de Staat van Educatie vooral een kwantitatieve onderlegger voor het gesprek tussen partners is en niet het volledige monitoringsinstrument voor OAB. Ook wil het in 2026 incidenteel investeren, maar de nadruk houden op oplossingen met een structureel karakter. De aanbeveling over de SiSa-indeling en het actiever informeren van de raad worden expliciet overgenomen; de aanbeveling over de jaarlijkse analyse van de SiSa-cijfers is aan de gemeenteraad gericht.

Bekijk het volledige rekenkamerrapport voor de onderzoeksopzet, bevindingen, conclusies, aanbevelingen en bestuurlijke reactie.
Neem voor meer informatie over rekenkameronderzoek of gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid contact op met Marco Zuidam.

Het rapport bevat al een bestuurlijke reactie. Het college onderschrijft de hoofdlijn en geeft aan de aanbevelingen binnen zijn verantwoordelijkheid te kunnen overnemen, met enkele kanttekeningen bij de precieze rol van de Staat van Educatie en de balans tussen incidentele inzet in 2026 en structurele maatregelen. De opvolging moet vooral zichtbaar worden in concretere resultaatafspraken, betere monitoring, een aangepast bestedingsplan en meer informatie aan de raad.
De landelijke verandering in de financiering van het onderwijsachterstandenbeleid vergroot de urgentie. Wanneer middelen via het gemeentefonds lopen, neemt het risico toe dat zij concurreren met andere gemeentelijke opgaven. Een goed onderbouwde lokale visie, zicht op resultaten en actieve betrokkenheid van de raad worden dan nog belangrijker.

Meer informatie

Oberon Profielfoto 18
Maarten
Oberon

Oberon is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van onderwijs en welzijn.

We hebben brede kennis van praktijk, beleid en wetenschap en verenigen deze werelden in onderzoek en advies. Met onze kennis en adviezen willen wij bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen.

Contact

Bezoekadres
St. Jacobsstraat 12, 4e etage
3511 BS Utrecht

(030) 230 60 90
info@oberon.eu