Er is aanhoudende (politieke) discussie over in hoeverre de organisatie van doorzettingsmacht nodig is binnen het systeem van passend onderwijs. Doorzettingsmacht is het aanwijzen van een persoon of instantie met de bevoegdheid de beslissing te nemen over de plaatsing van een leerling op een passende plek in het onderwijs. In opdracht van het ministerie van OCW onderzochten we hoe samenwerkingsverbanden passend onderwijs dit nu regelen.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vroeg Oberon onderzoek te doen naar doorzettingsmacht bij samenwerkingsverbanden passend onderwijs primair onderwijs en voortgezet onderwijs, naar aanleiding van een motie van voormalig Kamerlid Beertema. Oberon zette een online vragenlijst uit onder alle 151 samenwerkingsverbanden passend onderwijs in Nederland en organiseerde drie verdiepende focusgroepen. In totaal vulden 96 samenwerkingsverbanden (64%) de vragenlijst in en namen 13 samenwerkingsverbanden deel aan een focusgroep.
Doorzettingsmacht: een verdeeld beeld
40% van de samenwerkingsverbanden heeft doorzettingsmacht georganiseerd, meestal belegd bij de directeur-bestuurder of het bestuur van het samenwerkingsverband. Dat is aanzienlijk minder dan de 66% die de Inspectie van het Onderwijs in 2018 rapporteerde. Een deel van de daling komt waarschijnlijk doordat samenwerkingsverbanden doorzettingsmacht verschillend interpreteren: 34% heeft namelijk wél een vaste overlegstructuur georganiseerd om vastgelopen casuïstiek gezamenlijk op te lossen (doorzettingskracht), zonder dat één partij formeel kan beslissen over plaatsing van de leerling. 26% heeft geen van beide georganiseerd.
Van overleg tot daadwerkelijk afdwingen
Ook wanneer doorzettingsmacht is vastgelegd, wordt die zelden ingezet: ruim de helft van de samenwerkingsverbanden met doorzettingsmacht heeft er nog nooit gebruik van gemaakt. Vrijwel altijd wordt eerst via overleg gezocht naar een oplossing, bijvoorbeeld in een 'witte rook-overleg' met schoolbesturen, scholen en jeugdhulp. Pas als dat niet lukt, kan de directeur-bestuurder alsnog een plaatsing afdwingen. Samenwerkingsverbanden zijn hier terughoudend in: ze vrezen dat afgedwongen plaatsingen de samenwerking met scholen onder druk zetten, botsen met de keuzevrijheid van ouders en niet garanderen dat de plek ook echt passend is.
Knelpunten en succesfactoren
Wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs en de jeugdhulp, een tekort aan passende plekken en de gescheiden werelden van onderwijs en jeugdhulp zijn de belangrijkste knelpunten, ongeacht of doorzettingsmacht is georganiseerd. Afspraken met gemeenten ontbreken bij ruim de helft van de samenwerkingsverbanden met doorzettingsmacht. Succesfactoren die wél helpen zijn een gedeelde visie en vertrouwen tussen partijen, basisafspraken met scholen, inzet van experts bij vastgelopen casussen en nauwe samenwerking tussen primair en voortgezet onderwijs.
Terughoudendheid over wettelijke verankering
Vrijwel alle samenwerkingsverbanden die deelnamen aan de focusgroepen zijn tegen het wettelijk verplichten van doorzettingsmacht. Zij benadrukken dat samenwerking, verantwoordelijkheid en de bestaande zorgplicht van schoolbesturen leidend zouden moeten blijven. Als alternatief noemen zij bijvoorbeeld een ‘plaatsingsplicht’ of ‘puzzelplicht’, waarbij de verantwoordelijkheid voor het vinden van een plek gezamenlijk wordt gedragen.
Meer weten?
Dit onderzoek laat zien dat doorzettingsmacht formeel kan bijdragen aan besluitvorming, maar dat duurzame plaatsing vooral vraagt om samenwerking, verantwoordelijkheid en een dekkend netwerk van onderwijs- en zorgvoorzieningen. Het ministerie van OCW gebruikt deze bevindingen om te bepalen hoe het uitvoering geeft aan de motie over doorzettingsmacht binnen samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Benieuwd naar alle uitkomsten? Bekijk het volledige rapport 'Wie beslist? Doorzettingsmacht bij samenwerkingsverbanden passend onderwijs primair onderwijs en voortgezet onderwijs'.